We prijzen ons gelukkig dat het hotel in Châtillon en Bazois op maandag
gesloten was, want juist dan regent het de hele dag en de volgende dagen zal
het weer volgens de voorspellingen redelijk tot zeer goed zijn. Maar de avond
voor het vertrek wordt de voorspelling bijgesteld: in de ochtend een zwaar
bewolkte hemel en in de loop van de dag regen, veel regen. We vertrekken om
kwart voor negen, maar op het moment van vertrek spettert het al. Het valt nog
knap tegen wat je zoal mee moet sjouwen met zo’n voorspelling: Inge heeft twee
volle fietstassen en Frank draagt een forse rugzak. Voorlopig is het net boven
de 10 graden en gaan alle fietskleren over elkaar aan. Maar het blijft verder
redelijk droog en we ondergaan de prachtige natuur van onze Morvan die we
ergens halverwege inruilen voor die van de Bazois. Het gaat van graniet naar
kalkgrond en dat is aan de kleur van de huizen te zien. Na zo’n drie uur
fietsen zijn we tot onze grote verrassing al aardig in de buurt van Châtillon
en Bazois, onze eerste stop. We hebben geboekt in het hotel de France. We
hadden er al eens gegeten en we overnachten er nu ook. De eigenares lijkt
sprekend op de burgemeester van ons dorp die daarvoor de bakkerskar reed. Ze is
ook net zo stug. En het weer wordt er ook al niet beter op: het gutst. Toch
deelt madame ons hardvochtig mee dat het hotel na de service (het middageten)
tot half vijf gesloten zal zijn. We verlaten met regenjacks en paraplu om half
drie het hotel. Dat is beter dan te gaan zitten treuren op die haveloze kamer.
Tijdens onze eerdere bezoeken hadden we al een stuk door het dorp en langs het
kanaal gelopen en we doen dat nog een keer. We zien tot onze verbazing dat het
fietspad langs het kanaal, dat ooit het jaagpad (chemin de halage) was, net
vers wordt geasfalteerd. Het klopt dus dat men werkt maakt van de (vermoede)
toeristische aantrekkingskracht van het kanaal.
Net als we alles wat er in de buurt te belopen valt gehad hebben, ontdekt
Inge op een biljet dat over een paar minuten een rondleiding in het kasteel van
Châtillon zal beginnen. We spurten naar de ingang van het kasteel en bellen
aan. Even later komt er een meisje dat ons, samen met een Franse meneer met een
kind, binnenlaat. Het meisje is de gids die ons eerst het hoog gelegen deel van
de tuin laat zien, die in Engelse landschapsstijl is aangelegd. Ze wijst ons
speciaal op een enorme boom die elk moment om schijnt te kunnen vallen.
Deskundigen hebben er een schietlood aan gehangen om de mate van overhang en
daarmee het gevaar op omvallen, zichtbaar te maken. Er staat een toren die door
gasten bewoond kan worden, wat een bijzondere ervaring moet zijn. De
kasteeltuin wordt doorsneden door de grote weg van Autun naar Nevers. Ooit
reedt hier de diligence die zijn halteplaats had bij ons hotel. Maar nu perst zich
druk verkeer, waaronder kolossale vrachtcombinaties, door de smalle straatjes
van Châtillon. Zoals gewoonlijk vragen we ons af of de waarschijnlijk
broodnodige nering die de weg oplevert, mag opwegen tegen het ongerief voor de
bewoners.
Vanaf het hoog gelegen kasteel heb je een mooi uitzicht op de tuinen aan de
andere kant van de weg, met hun kunstzinnig geknipte buxushagen; de erfenis van
een grote beeldententoonstelling. De vorm van de hagen volgt die van schapen en
heet daarom ‘taille de mouton’. Het aardige van de bezichtiging is dat het
kasteel nog bewoond wordt en dat we de kasteelheer en zijn vrouw in levende
lijve in hun natuurlijke omgeving kunnen aanschouwen. Dat gegeven en het kleine
bezoekersgroepje geven het gevoel iets bijzonders en persoonlijks mee te maken.
En binnen is het lekker warm, zelfs in de kelder waar het in de zomer juist
relatief koel is! Behalve de hele grote stukken die bij het vertrek van de
vorige eigenaars schijnbaar niet mee konden (zoals het Franse biljart) is alles
ingebracht door de huidige bewoners die er ergens in de zeventiger jaren zijn
komen wonen. Daarvoor was het kasteel wel zo’n honderd jaar per familie in
dezelfde handen geweest. Op de foto’s in het woongedeelte waar we wat
bedremmeld binnentreden, zien we behalve een enkele Rolls Royce en de trotse
eigenaren, ook Konrad Adenhauer, die ooit een bezoek bracht aan de vader van de
kasteelvrouwe. In de oorlog werd het kasteel trouwens gevorderd door de
Duitsers en men zegt dat Hitler een nacht in het kasteel heeft doorgebracht.
Iemand zou een film rond dit gegeven willen maken.
Het aardigste in het kasteel zijn de grote keuken met een draaispit met een
mechanische tijdklok en de trompe trompe-l'oeil in de vorm van schilderingen of
geheime deurtjes. Madame zit in de woonkamer aan de website van het kasteel te
werken is gewoon beschikbaar voor nadere informatie. Net als wij het kasteel
verlaten, vertrekt de kasteelheer richting Parijs in een bescheiden Fiat (er
staat gelukkig ook een luxe sportwagen). Buiten staat er alweer een clubje
mensen te wachten in de nog steeds rijkelijk vallende regen. We voelen ons zeer
verkwikt door dit onverwachte uitje, dat plotseling zin gaf aan ons bezoek aan
Châtillon.
We eten ’s avonds
in het hotel en verbazen ons over wat er allemaal in het gastenboek staat. Niet
alleen de keuken (naar ons gevoel niet meer dan middelmatig) wordt geprezen
maar ook het warme onthaal (chaleureux)! We zoeken nog even de uit 2005
stammende ironische vermelding van Inge op (Vive l’innnovation!) maar besluiten
deze keer maar niets te vermelden. Representativiteit is niet het oogmerk van
gastenboeken.
De volgende dag is de lucht nog knap bedekt maar madame de eigenaresse
beveelt ons te geloven dat het mooi weer gaat worden. Het is in elk geval droog
en zo betreden we waarschijnlijk als eerste fietsers het gloednieuw bestrate
pad. Met grote kronkels en ommuurd door groen glijden we voort, passeren
regelmatig een sluis met vakantiehulp-sluiswachters en af en toe een gehucht
dat wat verderop ligt en stoppen blij verrast bij een restaurantje dat in de
buurt van een wat grotere sluis ligt. Je kunt er behalve een kop koffie ook
uitgebreid dineren. We noteren zijn gegevens voor een toekomstig bezoek.
Inmiddels worden in de lucht wat blauwe plekken zichtbaar die langzaam overgaan
in ‘belles éclaircies’. Het is een heerlijke tocht die we voor een deel al
kennen van eerdere wandelingen, maar die telkens verrast door de diversiteit in
landschappen waarlangs het kanaal zijn weg zoekt. Bij de meren van Vaux en Baye
verdwijnt het kanaal (vanwege een bergmassief) ondergronds om na een kilometer
of wat weer aan het oppervlak te komen. Het loopt dan nog een tijd lang op
grote diepte langs ons fietspad. Eerst was Inge enthousiast voor het idee een
boottocht over het kanaal te gaan maken. We zien ze regelmatig, nu we nog net
in de staart van het toeristenseizoen zitten. Ze blijken in allerlei versies,
op steeds meer plekken afgehaald en weer afgeleverd te kunnen worden. Maar het
idee met zo’n huurboot - de ware watersporter spreekt spottend van een strijkijzer - een kilometer door zo’n
donker gat te moeten varen, dooft dit enthousiasme onmiddellijk. Het gaat ook
erg langzaam, want elke sluis kost 10 minuten. Zio passeer je in een tochtje
heen en weer tussen Châtillon en Corbigny, 82 maal een sluis en dat brengt de
totale vaartijd voor dit tochtje van 62 kilometer op 21 uur. Daarmee vergeleken
is de fiets niet alleen praktischer, maar biedt die ook veel meer
vrijheid.
Na de tunnel stort het water zich via een ladder van 13 sluizen stort
verder omlaag, tot sluis 14 waar het kanaal wordt bijgevoed door een andere
stroom. De meeste sluiswachterhuisjes hier maken een wat schreeuwerige indruk,
alsof er een ploeg anarchisten is neergestreken, maar het huis bij sluis 14
bevat een pottenbakkerij waar we een mooi diepblauw kruikje kopen bij een
bijzonder aardige dame. Zij blijkt net als wij weinig te zien in de Franse
gewoonte om tussen de middag uitgebreid te eten en drinken en dat schept meteen
een band. We vervolgen onze tocht en ontdekken dat naast het kanaal een
spoorlijn loopt. Het is de trein van Clamecy naar Corbigny die hier elke
woensdag langs komt. We leggen ons hier in de zon te ruste voor de laatste
etappe naar Tannay. Daar gaat het fiks omhoog, weten we uit ervaring. Wat we
niet weten is dat alle platanen langs de weg net nu gesloopt worden. Het lijkt
wel oorlog met al die gevallen bomen, het gejank van de kettingzagen en het
branden van het loof. In ons ontwaakt de opstandige Nederlander en we
vervloeken de gek die hiervoor toestemming heeft gegeven. Later horen we dat de
aanleg van een fietspad de reden voor die bomensloop zou zijn. We vallen bijna
om van verbazing en onderdrukken de aandrang om ons meteen met een klacht en
een baksteen bij het stadhuis te melden.
Het hotel heet Relais Fleurit en is grappig, vriendelijk en geriefelijk.
Het dorpje is op een ondefinieerbare manier een beetje Italiaans en straalt
iets uit van de wijn die men hier in de buurt verbouwt. Het eten in het hotel
is uitgesproken Bourgondisch en we wisselen blikken van verstandhouding uit met
andere gasten die hun bord met varkenswangetjes in zware saus, net zo min leeg
krijgen.
De volgende dag is het stralend weer en we kiezen deze keer de landelijke
weg via Lys naar het kanaal (niet weer die dode bomen!). Deze weg biedt een
riant uitzicht op enkele kastelen en grote boerderijen in de buurt. Langs de
met gras begroeide asfaltweggetjes loopt een landarbeider met zijn lunch onder
zijn arm en wij suizen omlaag en tijgeren weer omhoog tot we (een spaak en twee
handschoentjes armer) weer bij het kanaal terug zijn. Nu, met die zon en die
warmte is alles nog mooier dan de dag ervoor en de weg lijkt wel veel korter.
Daar zijn we al in Chitry les Mines waar ooit de schrijver Jules Renard
burgemeester was. We hebben daar zijn ouderlijk huis ooit bezocht, maar nog
nooit zijn eigen huis in Chaumot. Dat gemis maken we nu goed en we zien dat hij
fantastisch woonde in het huis dat hij en zijn vrouw Gloriette noemden. De naam verwijst naar ‘een plezierig’ huis maar
ook naar de verkleinende trap van glorie. En aan die glorie wilde hij als
schrijver een bijdrage leveren; zijn vrouw had het geld. We constateren met
veel genoegen dat er sinds het eind van de 19e eeuw eigenlijk
vrijwel niets in het landschap veranderd is, behalve misschien de uitgroei van
de bomen. Zoals hij het in zijn dagboek beschreef, zijn het kasteel en het
kanaal vanuit zijn huis Gloriette nog
steeds zichtbaar. We komen vanuit Chitry in Corbigny aan waar we koffie drinken
in Café du Gare.
Na Corbigny is het nog zo’n 25 kilometer naar huis. We vermijden de
doorgaande weg en komen nu al stijgend en dalend over kleine weggetjes, bij de
afslag naar het Château de Lantilly. Het is tot nu toe alleen bekend van de
informatieborden en van verhalen van een vriend. We besluiten eens te gaan
kijken en wat we erover gehoord hebben klopt: het is een ruïne in wording met
de charme van het authentieke en de ergernis over het voortschrijdend verval.
Daar is onze rivier de Yonne en we zijn voorlopig weer even op het vlak. Inge betoont
moed door de weg over Montigny te nemen die mooi, maar zwaar is. Dan omlaag
door de mooiste vallei ter wereld en we zijn weer thuis. We kijken een beetje
ontroerd, maar met verfriste ogen naar onze toch vertrouwde omgeving.
Frank Andries
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken